“In het bos staat er een huis. In het huis wonen 3 beren: papa beer, mama beer en kleine beer. Mama beer heeft pap gemaakt, maar ze is nog te warm. Daarom besluiten de drie beren om even te gaan wandelen in het bos. Maar in het bos wandelt er ook een meisje… GOUDLOKJE. Zij ziet het huisje van de drie beren en piept even door het raam. Wat ziet ze daar? Berenpap? Goudlokje stapt naar binnen en proeft van papa beer zijn pap. EIKES. Niet lekker. Die papa is koud. Ze proeft ook van mama beer haar pap. AUW. Ze verbrandt haar tong, want de pap is te warm. Als laatste proeft ze van kleine beer zijn pap. Mmm, lekker en ze eet de pap helemaal op. 
Van al dat pap eten wordt Goudlokje een beetje moe. Ze rust eerst op papa beer zijn stoel, maar die is te hard. Mama beer haar stoel is dan weer te zacht, maar kleine beer zijn stoel is goed. Zelfs zo goed dat ze begint te wiebelen met de stoel tot hij KRAK zegt. Nu is de stoel kapot, maar Goudlokje is nog steeds moe. Dus gaat ze rusten in papa beer zijn bed, maar die is te zacht. Misschien ligt mama beer haar bed beter… maar die is te hard. Kleine beer zijn bed dan? Perfect en ze valt in slaap. 
De drie beren komen terug van hun wandeling en zien dat er van hun pap gegeten is. Papa en mama beer zijn BOOS! Kleine beer is verdrietig want zijn pap is op en zijn stoel is stuk. 
Wanneer de beren naar de slaapkamer gaan zien ze dat er in kleine beer zijn bed een klein meisje met gouden krullen ligt. Ze schrikt wakker en loopt weg als ze de beren ziet.  En de beren? Die hebben Goudlokje nooit meer gezien….”