“ ’s Nachts lag er in het maanlicht een klein eitje op een blad. Uit dat eitje kroop er een hongerige rups. De rups at door alles heen. Een appel, peren, taart, worst, een plak kaas, een stuk meloen, …. De rups kreeg de naam: Rupsje Nooitgenoeg. Tot op een dag haar buik heel veel pijn deed. Rupsje Nooitgenoeg bouwde een cocon waar ze twee weken in bleef. Daarna kwam ze naar buiten als een prachtige vlinder.”